You are here

Te weinig geld voor ontmanteling Dodewaard

Submitted by WISE on Thu, 17/03/2016 - 11:57

In 1997 werd de kerncentrale Dodewaard gesloten. Wettelijk is vastgelegd dat de centrale in het jaar 2045 ontmanteld moet worden, en dat tot die tijd geld gespaard kan worden om de ontmanteling te betalen. Maar de eigenaren weigeren nu voldoende geld opzij te zetten.  

De centrale wordt beheerd door de Gemeenschappelijke Kernenergiecentrale Nederland, (GKN) en is eigendom van de EPZ, Nuon, Eon Benelux en Engie Nederland die de aandelen hebben ondergebracht in een administratief vehikel, de B.V. Nederlands Elektriciteit Administratiekantoor (NEA). Het ontmantelingsplan is in 2011 goedgekeurd op basis van een berekening dat de ontmanteling (die tien jaar gaat duren, tot 2055) 180,3 miljoen euro gaat kosten. Sinds 2011 kent de Kernenergiewet de bepaling dat een eigenaar van een kerncentrale elke vijf jaar moet kunnen aantonen dat hij over genoeg geld beschikt om de kosten voor de uiteindelijke ontmanteling van de centrale te dragen. Het rijk toetst deze zogenaamde financiële zekerstelling. In 2014 oordeelde het Ministerie van Economische Zaken dat GKN niet voldoende aan kon tonen dat het genoeg ontmantelingsgeld in kas had. De GKN was het hier niet mee eens en tekende bezwaar aan tegen dit oordeel. Toen de Rijksoverheid voet bij stuk hield stapte de GKN naar de Raad van State. Die heeft in maart 2016 uitspraak gedaan en geconstateerd dat er terecht geen goedkeuring is gegeven dor het Ministerie. Het simpele feit dat het originele ontmantelingsplan op zich goedgekeurd is betekent niet automatisch dat ook de financiële onderbouwing klopt. Een dekkingsplaatje moet inzicht geven in kostenposten, zowel op prijspeil van het moment dat de goedkeuringsaanvraag wordt ingediend, maar ook omgerekend naar het prijspeil van het moment van ontmanteling (dus in het jaar 2045), en een overzicht dat aangeeft dat die laatste kosten dus zijn gedekt. Ook moet omschreven worden wat eventueel onzekere factoren zijn in het dekkingsverhaal en wat er wordt gedaan om het risico ervan te verminderen.

In 2009 zat er een startbedrag van EUR 38,8 miljoen in de ontmantelingspot, en dat zou, uitgaande van een rente van 4%, op tijd oplopen tot de benodigde EUR 180,3 mln.

Maar dat rekensommetje vond de Minister niet overtuigend. Er is geen rekening gehouden met inflatie en onvoorziene kosten, en er is door GKN onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het rendement van 4% daadwerkelijk kan worden behaald. In 2013 is er bijvoorbeeld maar 3,45% rendement behaald. GKN zegt dat ze afgaan op de inschatting van de bank waar het geld staat (BNP Paribas) en dat die zegt dat de kans op een gemiddelde rente van vier procent 97% groot is. Bovendien, zo stelt de GKN, wordt er regelmatig een actualisatie van de te verwachten kosten en opbrengsten gemaakt en wordt het plan op grond daarvan zo nodig bijgesteld. Zo kunnen de verwachte kosten dalen (door bijvoorbeeld innovaties of nieuwe technische inzichten). En andersom, zo redeneert de GKN, kan een eventuele kostenstijging worden opgevangen door de ontmanteling uit te stellen en zo langer de tijd hebben de kas te laten groeien.

Maar de Raad van State vindt het terecht dat de betrokken Ministeries het dekkingsplan beoordeeld hebben op basis van het ontmantelingsplan zoals dat op dat moment voorlag, en niet kunnen werken op basis van verwachtingen over de toekomst. Ook moet de zekerheidsstelling vanaf het begin aan voldoende zijn, en niet later pas, aldus de rechter. Het zal moeilijk zijn om inzicht te geven in de kosten van een in Nederland nog niet eerder uitgevoerde klus die zich in de vrij verre toekomst afspeelt, maar dat is (juist) geen reden om "in het geheel geen inzicht te geven" in de gevolgen van een veranderend prijspeil, aldus de rechter.

Ook is het terecht dat de Ministeries inzicht willen in mogelijke onvoorziene kosten die zich voordoen. Het enige waar de rechter niet in mee kon gaan, zijn de zorgen om het behalen van 4% rendement gedurende de lange periode. Maar alles bij elkaar hebben de Ministeries terecht geconcludeerd dat het financiële plaatje onvoldoende onderbouwd was en zij deze dus niet konden goedkeuren, aldus de rechter.

In een brief van 7 juli 2016 van Minister Dijsselbloem aan de Tweede Kamer wordt duidelijk dat de partijen (de eigenaren van Dodewaard en het Rijk) nog recht tegenover elkaar staan en ruzie maken. Uit die brief: "Wij hebben de achterliggende aandeelhouders verzocht aansprakelijkheid te erkennen voor de ontmantelingskosten van de KCD. Zij hebben dit geweigerd. Ook hebben wij hun verzocht mee te werken aan ons feitenonderzoek. GKN en NEA hebben hier aan meegewerkt, maar tot op heden niet alle gevraagde informatie kunnen dan wel willen overleggen.De Ministers van Infrastructuur en Milieu en van Financiën hebben de afgelopen periode gezamenlijk juridische stappen gezet. Hierbij spreken we de vier energiebedrijven onder meer aan, omdat toen de KCD werd gebouwd al bekend was dat deze na verloop van tijd ontmanteld moest worden. Ook was bekend dat daar hoge kosten mee gemoeid zijn en dat een kerncentrale na sluiting geen inkomsten meer oplevert. Het was dus ook voor de energiebedrijven vanaf het begin duidelijk dat er na sluiting van hun kerncentrale voldoende geld moest zijn voor de ontmanteling. Dat de KCD is ondergebracht in GKN ontslaat de vier energiebedrijven niet van hun verantwoordelijkheid de kerncentrale te ontmantelen en deze ontmanteling te bekostigen".

Het is nog onduidelijk wat er nu gaat gebeuren. De discussie is ook heel relevant voor de kerncentrale Borssele, waarvoor wettelijk is vastgelegd dat die direct na sluiting ontmanteld moet worden. Dat is officieel in het jaar 2033. Ook Borssele zet nu elk jaar geld opzij om een pot te vullen maar er zijn sterke aanwijzingen dat dat onvoldoende gebeurt - en dus is er vrees dat de pot dus onvoldoende gevuld zal zijn in 2033. Bovendien bestaat de kans dat de centrale eerder dicht moet - en dan is er in elk geval niet genoeg geld.